Tien jaar G1000

Op 11 november was het tien jaar geleden dat 704 burgers in Brussel samen oplossingen zochten voor grote maatschappelijke problemen. De beleidsvoorstellen van de G1000 werden destijds niet doorgevoerd, maar de samenkomst gaf wel het startschot voor de opkomst van deliberatieve modellen. Sindsdien krijgen burgers steeds vaker een stem in heikele kwesties. Op een grauwe herfstdag spraken we af met Ben Eersels, coördinator van de G1000, om te praten over de toekomst van deliberatieve democratie in België.

Laten we beginnen bij het begin. Vanwaar kwam het idee om de G1000 te organiseren?

“Het idee van de G1000 is ontstaan in tijde van de federale regeringsvorming, die na de verkiezingen van 2010 maar niet van de grond kwam. In de keuken van David Van Reybrouck kwamen een paar vrienden samen die genoeg hadden van de jaarlijkse politieke crisis. Zij vreesden dat het niet per se een Belgische crisis was, maar eerder een systeemcrisis. Achteraf hebben ze gelijk gekregen. Kijk maar naar Nederland, daar zijn ze meer dan 250 dagen na de verkiezingen ook nog steeds aan het proberen een regering te vormen.”

“Deze burgers dachten na over alternatieven, bestudeerden de post-representatieve democratie en reflecteerden over een Belgische toepassing. Ze kwamen ze uit op het idee van deliberatieve democratie, een model waar burgers van verschillende achtergronden en overtuigingen overleggen en zo samen tot een consensus kunnen komen. Om de werkbaarheid aan te tonen, organiseerden ze een enorm evenement, de G1000. Op 11/11/2011 beraadslaagden toen bijna 800 burgers, representatief voor de Belgische bevolking, in de zalen van Tour&Taxis over de belangrijkste thema’s binnen de Belgische politiek.”

Wat waren de directe gevolgen van die top?

“De G1000 zorgde wel voor wat deining. Het idee van deliberatieve democratie, een andere manier van aan politiek doen, had ingang gevonden. De beleidsvoorstellen van de G1000 werden overhandigt aan de politici, maar daar is politiek gezien heel weinig mee gebeurd. De impact op het beleid was dan wel miniem, we hebben daar wel uit geleerd. Het heeft ook de verspreiding van burgerparticipatie versterkt, zowel in België als daarbuiten. Voordien was de deliberatieve methode alleen nog maar bekend in gespecialiseerde middens.”

Jullie zijn daarna ook in Duitstalig België aan de slag gegaan. Hoe is dat tot stand gekomen?

“In Duitstalig België stelt het democratisch deficit zich iets minder dramatisch dan in de rest van het land. Het is een kleinere gemeenschap en de politici hebben vaak een deeltijds mandaat, waardoor ze meer gezien worden als burgers onder elkaar. Een paar gemotiveerde parlementariërs waren desalniettemin bezorgd over de continue afname van het vertrouwen in de democratie, die zich overal doorzet. Na een studiereis in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland, waar ze in contact kwamen met verschillende democratische experimenten, besloten ze vervolgens een eigen experiment te organiseren. Dat experiment beviel hen dermate veel, dat ze dit soort participatie graag op een structurele manier wilden inbedden in hun politieke werking. Het wetsvoorstel om die permanente ‘burgerdialoog’ op te richten, werd uiteindelijk door meerderheid en oppositie unaniem goedgekeurd in het parlement, wat de duurzaamheid van het model alleen maar ten goede kan komen. De internationale impact van het “Ostbelgien Model” valt niet te onderschatten. Het is een referentie voor heel wat internationale experten.”

Wat houdt dat Ostbelgien Model juist in?

“Er zijn twee grote systemen binnen dit model: de permanente burgerraad en ad hoc burgerpanels. De permanente burgerraad bestaat uit 24 gelote burgers en heeft twee taken: ten eerste zorgen ze voor de agendasetting. Zij mogen beslissen over welke thema’s de volledige burgerdialoog zal vergaderen en beslissen ook hoe dat thema wordt aangepakt. De permanente burgerraad heeft de autoriteit om zelf burgerpanels te organiseren die ook over dat thema vergaderen. Op die manier wordt de agendasetting en de beleidsaanbevelingen niet door dezelfde personen gedaan. Dat zou een kleine groep mensen te veel macht geven – je zou eigenlijk nieuwe politici creëren. De ad hoc burgerpanels delibereren dan over de gekozen thema’s en hun aanbevelingen worden vervolgens met de bevoegde commissies besproken. De politiek bekijkt deze en geeft achteraf verplichte verantwoording wat er met de voorstellen zal gebeuren. Een jaar later moeten de bevoegde commissies ook komen uitleggen wat ermee gebeurd is. Dat brengt ons tot de tweede taak van de permanente burgerraad: zij overziet ook  het proces en de opvolging van de aanbevelingen. De leden van de permanente burgerraad zorgen ervoor dat de politici zich op tijd verantwoorden over de opvolging van de aanbevelingen en kan ook ten dele bepalen hoe dat moet gebeuren.”

Wat zijn de drempels van zulke processen voor burgers?

“Zoals altijd in participatie zijn bepaalde doelgroepen moeilijk te bereiken. Eén manier om die mensen toch rond de tafel te krijgen is om te werken met loting. Op die manier is de groep meer representatief dan als je met vrije inschrijvingen zou werken. Bepaalde doelgroepen zijn minder geneigd ja te antwoorden op een uitnodiging in de bus. Jonge ouders, mensen met een andere etnisch-culturele achtergrond, daar liggen de percentages lager. Als overheid kan je daar wel wat aan doen. Loting is een zeer handige tool. Je bepaalt op voorhand eerst enkele basiscriteria, bijvoorbeeld een evenredige verdeling tussen mannen . Eerst stuur je 10.000 brieven uit, dan krijg je ongeveer 10% ja antwoorden. Van die hoop kan je verder selecteren. Maar er kunnen nog bijkomende maatregelen genomen worden. Een dagvergoeding is een soort van tegemoetkoming waarbij je aantoont dat je hun engagement serieus neemt. Maar belangrijker is het hele politieke kader daarrond. Als overheid kan je het proces trekken door te beloven dat je iets doet met de aanbevelingen. En dat motiveert burgers.”

Wat houdt lokale besturen tegen om met zo’n deliberatief model aan de slag te gaan?

“Verschillende grootsteden beginnen er stilaan mee. Brussel doet het bijvoorbeeld op het regionale niveau. De meeste steden hebben ook andere participatieprocessen. Antwerpen heeft een zeer goede burgerbegroting, wat ook een zinvol participatieproces is. Je moet daarnaast als lokaal bestuur natuurlijk ook de capaciteit hebben voor deliberatieve democratie. Koken kost geld. Ook deliberatieve processen hebben een bepaalde kostprijs. Het budgettaire kader kan lokale besturen afschrikken.  Maar we zien wel dat het kan. Overijse en Oud Heverlee hebben recent nog een proces doorlopen met deliberatieve panels.”

Er schuilt wel gevaar in dat deliberatieve democratie als modewoord gebruikt wordt. Het staat in het federale regeerakkoord, maar veel werk is er nog niet gebeurd.

“Het is een terechte opmerking dat deliberatieve democratie geen modewoord mag zijn. Onze rol als G1000 is aan het veranderen. Nu komen politici naar ons voor advies. Daar zijn we blij mee, maar we willen niet dat het de nieuwe volksraadpleging wordt van de jaren ‘80 en ‘90, waarin alle gemeenten ermee aan de slag willen gaan alleen maar omdat het een sexy thema is. Burgers moeten kwalitatief betrokken worden en de juiste expertise moet worden aangegeven. Als je het op een slechte manier doet, dan maak je meer vertrouwen kapot in plaats van het op te bouwen.”

“In het kader van de burgerbevraging over de toekomst van Europa heeft lidstaat België bijvoorbeeld beslist om dat via een burgerpanel te doen. De aanbevelingen van de burgers worden afgegeven bij de minister van buitenlandse zaken Sophie Wilmes, die dan in dialoog gaat met de burgers. Wij zitten in een wetenschappelijk begeleidingscomité en geven advies over het grotere design van het panel en de kwaliteitsvoorwaarden.”

“Deliberatieve democratie moet institutioneel verankerd worden, op alle niveaus in België. Het zou een bijzonder goed idee zijn als het nationale, regionale en lokale niveau daarmee aan de slag gaan. Als je burgers wil vragen om vrije tijd op te offeren om mee aan het stuur te zitten, dan moet je als overheid ook de garantie bieden dat er met die output op een serieuze manier aan de slag gegaan wordt omgegaan. Werken met vaste structuren met vaste regels, waar burgers representatief voor groepen kunnen vergaderen over bepaalde beleidsthema’s, is de way to go voor de toekomst.”

Hebben jullie nog enkele tips voor lokale besturen die aan de slag willen gaan met een deliberatief model?  

“Als je het doet, doe het dan goed. It has to mean something. Omdat deze processen best arbeidsintensief zijn, zowel voor de overheid als de burgers, moet je als organisator de burgers ook serieus nemen. Zorg voor een thema dat iets betekent voor burgers, dat gevoelig ligt in de gemeente. Laat hen niet palaveren over de kleur van de straatstenen of over de plaats van bepaalde bomen.
Zorg voor een professionele facilitatie, zodat iedereen evenveel aan het woord komt. Ga daarnaast met hun aanbevelingen aan de slag en zorg voor een goede follow-up.”

“Geef burgers tijd om de inhoud op een goede manier te verwerken en om op een rustige manier in debat te gaan. Met deze tips kom je al heel ver.”

Meer informatie over de G1000 vind je op www.g1000.org

Door Arno Van Rensbergen

Lees meer

Recent

Ontvang het laatste nieuws

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

En blijf op de hoogte van al het De Wakkere Burger nieuws. 

Een reactie achterlaten